e leer was waarschijnlijk niet het grootste probleem voor de paus in Rome. Erger was dat de Katharen de autoriteit van Rome niet erkende en weigerde geld te geven aan de Kerk.

De eerste poging om de ontwikkeling van het nieuwe geloof in te dammen was nog tamelijk zachtzinnig. In 1145 werd een preker, Bernard de Clairvaux, ingezet om al die mensen weer bij de moederkerk te krijgen. Zonder succes !

De paus zuiverde dan het Occitaanse episcopaat en benoemde Pierre de Castelnau en broeder Raoul tot zijn vertegenwoordigers in de Languedoc. Deze diepgelovige priesters voerden tussen 1203 en 1208 een campagne tegen de Katharen. Daarbij werden ze geholpen door de Spanjaard Dominico de Guzman (de heilige Dominicus), die het voorbeeld van armoe, eenvoud en liefdadigheid gaf.

Hoewel de prediking tamelijk succesvol verliep, constateerde de paus dat de situatie nog steeds verslechterde. De moord op Pierre de Castelnau in 1208 was voor hem de aanleiding nog strengere maatregelen te nemen...

De paus kreeg uiteindelijk de medewerking van de Franse koning en riep in 1209 op tot de kruistocht tegen de Katharen. Een gezelschap bestaande uit priesters, ridders, avonturiers, burgers en boeren uit Noord-Frankrijk trok onder leiding van Simon de Montfort op naar Zuid-Frankrijk met als doel geloof en rust te herstellen in het graafschap Toulouse en zijn omgeving.

De kruistocht liep uit in een echte veroveringsoorlog...

De noordelijke overmacht was groot. De ketterse landheren werden bloedig verdreven en hun land door de kruisridders overgenomen. Negen jaar stond de Languedoc in brand en werd er overal bloed vergoten. Omdat de gelovige katholieken na hun dood toch wel in de hemel zouden komen, hoefde men niet zo nauwkeurig te werken bij het vinden van bewijs voor ketterij...

Zo werd in juli 1209 de stad Béziers, eigendom van de Trencavels van Carcassonne, ingenomen en werd daarbij de hele bevolking, ook de katholieken, gedood onder het motto : "Maak ze allen af, God zal de Zijne herkennen..."

De zwaarste strijden werden geleverd in de huidige departementen Aude, Haute Garonne, Tarn en Ariège, en werd toen door de bewoners van die streken "la guèrra dels castels" (de oorlog om de kastelen) genoemd. Het tij leek te keren toen in 1213 de koning van Aragon, Peter II, de graaf van Toulouse en zijn vazallen bij Muret (vlakbij Toulouse), waar Simon de Montfort zich op dat moment bevond, te hulp schoot.

Onverwacht wist Simon de Montfort toch de overwinning te behalen. De graaf van Toulouse ontvluchtte en kwam in 1217 terug on Montfort aan te vallen. De Montfort werd daarbij door een steen dodelijk getroffen (juni 1218). De bevrijding van de Languedoc kon beginnen.

In 1226 riep koning Lodewijk VIII echter op tot een nieuwe kruistocht. Omdat ze genoeg hadden van de oorlog, gaven de meeste zuidelijke steden zich snel over aan de overmacht van het koninklijke legers. In 1229 moets zelfs de graaf van Toulouse het opgeven en tekende hij het Verdrag van Meaux.

Maar de dwaalleer was toch niet definitief gebroken : in afgelegen streken vonden de Katharen nog schuilplaatsen en toevluchtsoorden, onder andere het kasteel van Montségur. De Inquisitie werd in Toulouse in 1233 gesticht, en die gebruikte alle mogelijke middelen om een einde aan de dwaalleer te maken.

Na 1252 werd de ondervragingsmethode uitgebreid met lichamelijke folteringen. De ketters werden op de brandstapel gezet en als ze dood waren, werden hun lijken opgegraven en alsnog verbrand.

De meeste Katharen verdwenen in de gevangenis, en de laatste Kathaarse "perfect" werd in 1321 in het dorpje Villerouge Termenès vlakbij Carcassonne verbrand. Daarmee was het katharisme verdwenen...

Carcassonne > Katharisme > Kruistocht
Gulden Boek